Blogpagina

Blog van Mark

Blog van Mark

  • Invasieve exoten

    In deze tijd vangen we Amerikaanse rivierkreeften. In de grachten en sloten van Amsterdam en omstreken wemelt het er van. Ze moeten bestreden worden zeggen de faunabeheerders, want ze richten schade aan. Ze ondergraven oevers, ze vreten waterplanten en vissenlarven en ze verdringen de inheemse rivierkreeften. Invasieve exoten zijn het. Ze zijn raar en horen hier niet thuis. En het zijn er veel te veel. Eigen Krachtvoer helpt graag mee aan het bestrijden van exotische indringers, vooral ook als die erg lekker zijn. Wij maken er bijvoorbeeld graag een bisque van, een rivierkreeftensoep met witte wijn en cognac. En de kreeftenstaartjes doen het goed in een pasta of pizza. Zalige exoten zijn het. Toch bezorgt het vertoog van invasieve exoten mij een aantal nare bijgedachten. Want het is maar een klein stapje van invasieve dieren naar invasieve mensen. Zekere politieke partijen beweren maar al te graag dat er mensen in Nederland komen die raar zijn en hier niet thuis horen. En dat het er veel te veel zijn. Berust de afkeer van exoten niet gewoon op xenofobie? Het Nederlandse volk is voortgekomen uit de Batavieren die de Rijn aftrokken, leerde ik op geschiedenisles. Dan zijn wij dus allemaal invasieve exoten! En ook schadelijk als je ziet hoe die Bataven de kolonies hebben leeggeplunderd en de inheemse bevolking als slaven hebben weggevoerd. Dat roept de vraag op hoe lang je exoot blijft voordat je als inheems wordt erkend. En ook de opvatting van schadelijkheid blijkt te kunnen evolueren van roofzuchtige plundering tot lovenswaardige VOC-mentaliteit. Maar wat voor dieren geldt, geldt niet voor mensen, zult u nu willen tegenwerpen. Dat is je reinste specie-isme, heb ik onlangs geleerd. Dat is een nieuw isme, naast racisme, seksisme enzovoort. Dat de ene specie de andere specie mag discrimineren, uitbuiten en opeten. Pas na lang nadenken vond ik het goede antwoord. Samen met alle andere species vormen we immers als mensen de natuur. In de natuur bestaat een voedselketen: iedereen eet iedereen op. Dat is natuurlijk. En omdat ik tot de natuur behoor wil ik me niet tegennatuurlijk gedragen. Dus eet ik af en toe een rivierkreeft. Liefde gaat door de maag, heeft mijn moeder mij geleerd.

  • Geen morieljes

    Geen tonijn in de tonnato, geen dragon in de béarnaise en geen morieljes in de morieljesaus: het was afzien in hotel De Sparrenhorst in Nunspeet. ‘Waarom zitten er geen morieljes in de saus?’, vroeg ik de ober, die daarop de kok raadpleegde. ‘De morieljes zijn er uitgezeefd’, was de verklaring. ‘O, dan worden ze zeker hergebruikt’, suggereerde ik. ‘Nee’, zei de ober gepikeerd, ‘ze worden na het zeven weggegooid’. ‘Dat is zonde’, sprak ik. Een zwaar woord in dit zwartekousengebied. Kortom, het zal nooit meer goed komen tussen mij en De Sparrenhorst. Maar het toeval wilde dat ik net zat te broeden op een blog over geen morieljes. En dit was natuurlijk een prachtige binnenkomer. De moraal van mijn blog zou zijn dat je wildplukkers nooit moet vertrouwen. Les cueilleurs sont des menteurs, luidt niet voor niets het Franse spreekwoord. Als een wildplukker zegt dat er geen morieljes zijn, dan zou het omgekeerde wel eens waar kunnen zijn. En als een wildplukker geruime tijd over ganzen doorzeurt, kun je je afvragen of hij geen morieljes aan het plukken is. In tegenstelling tot mijn collega’s praat ik liever niet teveel over morieljes. Want als er teveel worden geplukt, blijven er straks misschien geen morieljes over. Bovendien is het een wettelijk beschermde paddestoel: als je een boswachter aan ziet komen, kan je maar beter geen morieljes aan het plukken zijn. Om de aandacht af te leiden plaagde ik mijn collega’s met een Zweeds blikje Voorjaarskluifzwam, dat ik via de ambassade in Stockholm bemachtigde. De gyromitra esculenta is dodelijk giftig, maar Scandinaviërs koken hem drie keer en eten hem dan vrolijk op. Die voorjaarskluifzwammen staan ook bekend als ‘valse morieljes’. Dus weer een geval van geen (echte) morieljes. Op de hele Veluwe was er trouwens geen paddestoel te bekennen. Geen boleet, geen cantharel, geen morielje. Zo kwam ik weer terug bij af. Ik ontving geen 200 euro. Integendeel, dat bedrag kon ik dokken aan de receptie van De Sparrenhorst. Ik ga daar nooit geen morieljes meer eten.

  • Twee eierstokken

    Sinds gisteren heb ik twee eierstokken. Dat kan ik helemaal uitleggen. In maart broeden de ganzen en dan kan je ganzeneieren rapen. Niet zomaar een eitje, nee honderden. En geen kleine eitjes, maar joekelige formaten. Ganzen zijn door de Provincie vogelvrij verklaard. Ze veroorzaken schade aan de landbouw en bedreigen het vliegverkeer. Hun aantal is exponentieel toegenomen en moet dringend worden gereduceerd, aldus de Gedeputeerde en het management van Schiphol. De Flora- en Faunawet moet even wijken.Dus raap ik deze maand ganzeneieren met een Provinciale Vrijstelling. Ganzen bouwen hun nest liefst in het riet, op takken in het water. Daarom is het moeilijk om daar dichtbij te komen. Bovendien is zo’n nest een soort soepbord, je rolt het ei er niet zomaar uit. Met mijn eierstok los ik dat probleem op. De constructie is heel simpel. Een plastic bakje van Blokker plak ik met duck tape aan het eind van een stok. De zijkant van het bakje zit langs die stok. Door de stok een kwartslag te draaien maak ik een scheppende beweging. Daarmee lepel ik het ei uit het ganzennest. Vaak zitten er wel tien eieren in zo’n nest. Met terugwerkende kracht begrijp ik hoe tevreden onze voorouders-jagers-verzamelaars waren toen zij deze scheppende beweging ontdekten. En misschien ligt daar wel de oorsprong van ons scheppend vermogen. Maar waarom twee eierstokken, zult u zich afvragen. Een vraag die heel veel mensen zich zouden kunnen stellen. Het antwoord is simpel. Als een stok breekt, heb je nog een reserve.

  • Slachtoffer van 112

    Maart 2017. Op jacht naar ganzeneieren spoelden we aan op een onbewoond eiland. Op 700 meter van de bewoonde wereld zaten we hopeloos vast en belden we tenslotte 112. Een absurde noodsituatie. De plaats van handeling is het Oostzanerveld, een moerassig natuurgebied, doorsneden door talrijke sloten en vaarten. Op de verlaten veeneilandjes broedt de gans en voor het rapen van de eieren heb ik een vergunning gekregen. Met ons fluisterbootje doorkruisen we het gebied in grote stilte en onthaasting (de elektromotor produceert een snelheid van 2 km/uur). We rapen twee emmers eieren. Vandaag staat er een stevig briesje, kracht 4 of 5 schat ik. Dat valt pas op als we omdraaien om terug te gaan. De boot komt simpelweg niet tegen de wind in en we worden naar de kant geblazen. De accu begint leeg te raken. Zo spoelen we aan op een onbewoond eiland. Vier grote moddersloten snijden ons af van de beschaafde wereld. Zal ik gaan zwemmen en de boot trekken, stelt Johan voor. Dat lijkt geen goed idee, gezien het ijskoude water en het gewicht van de boot. We kunnen onze survival-skills in praktijk brengen, bedenken we. We kunnen vuur maken en we hebben genoeg eieren voor een week. Helaas is het praktische bezwaar dat Johan om 3 uur op zijn werk moet zijn. We bellen met het haventje of iemand ons kan helpen. Helaas er is niemand met een boot beschikbaar. Bij de watersport verderop idem dito. Vraag de brandweer, adviseert men ons. En dus bellen we 112 en leggen onze belachelijke noodsituatie voor. Men weet geen onmiddellijke oplossing en belt straks terug. Dan krijg ik een helder idee. Als je niet tegen de wind in komt, kan je nog altijd met de wind meevaren. Een paar kilometer benedenwinds zie ik een paar huisjes aan het eind van de vaart. Dan belt 112 met het bericht dat ze een helikopter sturen. Dat lijkt ons een brug te ver. We gaan kijken of we met de wind mee kunnen varen, zeg ik. Nee, niet doen, zegt 112 met klem, als u zich verplaatst gaat u uw redding bemoeilijken. Maar we gaan ons zelf redden, breng ik daartegenin. Nee, het is niet de bedoeling dat u zichzelf gaat redden, zegt 112 gepikeerd. Het is net als in de psychiatrie: als je om hulp vraagt word je meteen tot hulpeloze patiënt gereduceerd. Doctor/112 knows best en je moet meewerken aan je behandeling. Op eigen gezag steken we van wal. De motor draait nog een beetje en met de peddel kunnen we bijsturen. Dankzij de wind komen we vooruit. Johan belt zijn werk dat het een uurtje later wordt en alles is weer under control. We spoelen aan op het erf van een boerderij, waar een aardige boerin ons belangstellend ontvangt. Dankzij haar warme aandacht zijn we spoedig verlost van onze posttraumatische stress. Met behulp van een taxi kunnen we ons sociale leven hervatten. De boot mag een paar dagen aan het erf blijven liggen. Eind goed, al goed.